Keurmerk Letselschade expertise

Smartengeld bij meervoudig letsel

Gerechtshof Arnhem 2009, smartengeld € 40.000,00

Man, 43 jaar, motorongeval. Hij heeft bij het ongeval onder andere een hersenschudding, een gescheurde lever en milt, een sleutelbeenfractuur links, een opperarmbeenfractuur links, een shocklong, een aandoening aan een aantal zenuwen met als gevolg gevoelsstoornissen en pijn, botvorming bij gewrichten, en uitval van diverse zenuwen aan arm en been opgelopen. Hij heeft na het ongeval 5 maanden in het ziekenhuis en aansluitend in een revalidatiecentrum verbleven. Hij heeft verscheidene operaties moeten ondergaan, die eveneens gepaard gingen met ziekenhuisopnames. Hij heeft een langdurige revalidatie doorgemaakt. Hij heeft moeite met de acceptatie van de blijvende gevolgen van het ongeval. De mate van invaliditeit als gevolg van het ongeval is op 55-58% van de gehele mens te stellen. Voorafgaand aan het ongeval was hij sinds enkele jaren 80-100% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO. Er wordt rekening gehouden met het feit dat het ongeval zijn wens heeft doorkruist om uit de WAO te geraken en in de toekomst als zelfstandige zonder personeel aan de slag te gaan. Vast staat dat hij als gevolg van het ongeval verlies wegens zelfwerkzaamheid heeft. Voor het ongeval was hij, mede gezien zijn beroep als timmerman, in staat allerlei werkzaamheden in en om het huis zelf te verrichten. Door het ongeval is hij daarin ernstig beperkt. Verder herstel van zijn klachten en beperkingen als gevolg van het ongeval is niet te verwachten.

Rechtbank Utrecht 2012, smartengeld € 100.000     

Man heeft bij auto-ongeval zijn rechter schouderblad en een rib gebroken. Een oor is afgescheurd. Hij had een ingeklapte long en een longperforatie. Daarnaast heeft hij als gevolg van het ongeval hersenletsel opgelopen ten gevolge waarvan hij rechtszijdig verlamd is geraakt, aanvankelijk volledig. Later heeft hij weer beperkte mate van controle over de rechter ledematen gekregen. Als gevolg van het hersenletsel was zijn spraak beperkt en waren zijn cognitieve functies verstoord. 

Enkele maanden ziekenhuis, waarna anderhalf jaar opname in een Revalidatiecentrum. Daarna afhankelijk van verpleging thuis of in instellingen.

De rechtbank noemt het feit dat de man de eerste maanden na het ongeval rolstoelgebonden was, geen controle had over zijn ontlasting van urine of faeces, niet of nauwelijks controle had over zijn rechter ledematen, met zijn linkerarm spastische bewegingen maakte, onverstaanbaar sprak, informatie slechts langzaam verwerkte en onaangepast, soms ook agressief gedrag vertoonde en zodoende daardoor nagenoeg volledig afhankelijk geworden was van derden. Ondanks dat dit in de jaren na het ongeval enigszins is verbeterd, was ook in de periode daarna sprake van zeer ernstige beperkingen. Vanwege met name zijn geestelijke beperkingen was het voor de man noodzakelijk om binnen een gestructureerde en voorspelbare omgeving te blijven, waardoor zijn actieradius beperkt bleef, ondanks dat hij redelijk zelfstandig was met de rolstoel. De man heeft als gevolg van zijn beperkingen aan de dagen slechts invulling kunnen geven door televisie kijken, muziek luisteren, internetten en roken. Hij was met andere woorden niet in staat tot werken, sporten, recreëren, het uitoefenen van een hobby, het zich zelfstandig buiten zijn woning begeven (anders dan de ingestudeerde route van en naar de buurtwinkel) of het aangaan van sociale relaties. Hij besefte dit alles bovendien ten volle.